Tewerkstelling    

Algemeen Recreatie Ontspanning Informatie Links Fotoboek

Back Up Next

 

TOT HET EINDE VAN DE 19DE EEUW

De "Grote Heide van Beverlo" lag er stil, bijna verlaten en arm bij. Dit onvruchtbaar en onherbergzaam gebied was enkel geschikt voor kleine veehouders, turf- en leemstekers, houthakkers, strooiseldragers en groentekwekers. Enkele visvijvers leverden een welgekomen variatie in de dagelijkse kost. Naast bescheiden landbouwers waren er ook de onontbeerlijke beroepslui, zoals de strodekker, de glazenier of de timmerman die op nog kleinere schaal moesten boeren om te overleven.
Vanaf 1795 zogen de Franse bezetters onze streken leeg en deze financiŽle catastrofe had nog lange tijd gevolgen. 
Dit was een periode van hoofdzakelijk verpauperde, zelfbedruipende "keuterboeren" die enkel door hun hard labeur overleefden.

DE 19DE EEUW

Ondanks de industriŽle revolutie bleef de helft van de beroepsbevolking in BelgiŽ boer. Dat was niet anders in Leopoldsburg en in Heppen waar een groot deel van de bevolking van landbouw en veeteelt letterlijk overleefde.Na de oprichting van het Kamp van Beverlo in 1835 werd de levensstandaard gevoelig beter. Citaat: "In 1850 was Leopoldsburg reeds een bescheiden middenstandsgemeente met tien groothandelaars, vier ondernemers, tien bakkers, acht slachters, vier schoenmakers, vier kleermakers, vier hoefsmeden, zeven hotelhouders en vijfendertig herbergiers en kleinhandelaars."

Tussen 1857 en 1875 werden belangrijke openbare werken uitgevoerd die tal van arbeidsplaatsen opleverden voor de inwoners van de gemeente: het project Bonnekensven dat de drooglegging van moerassen beoogde, het delven van drinkwaterputten, het verharden van wegen, het graven van het verbindingskanaal Lommel - Kamp van Beverlo, de spoorweg Diest - Mol.... Toch week menig inwoner tussen 1859 en 1900 naar de industriŽle polen Antwerpen en Luik Uit.
De industriŽle revolutie had in onze streken geen noemenswaardige verandering in het economisch bestel gebracht. Leopoldsburg bleef een dienstverlenende entiteit met agrarische nevenactiviteiten en Heppen bleef hoofdzakelijk een agrarisch dorp.

DE 20STE EEUW

In 1914 was Belgie, steunende op kapitalisme en vrijhandel, de vijfde economische wereldmacht en toch was een kwart van de beroepsbevolking nog boer.
Ondanks het feit dat de industrie, wegens de hoge lonen, heel wat mensen van hier aantrok, had zij onze streken nog niet onherkenbaar veranderd. Leopoldsburg en Heppen voegden zich daarom slechts geleidelijk aan bij de lijst van gemeenten der "forensen". Zo was het kanton Beringen vanaf 1919 (de opening van de mijn van Beringen) een merkwaardig agrarisch, industrieel, forensisch mengelmoes. Fabriekjes in de velden, groeiende "terrils", kerktorens, hangars en koeien ertussen waren alom te zien. De boerenstand slonk en de overblijvende boeren bezaten doorgaans weinig. Hierdoor waren zij genoodzaakt een bijkomend inkomen te verwerven in de fabriek. Deze boeren wroetten als vijftig jaar tevoren in wat sociale historici de "cottage industry" noemen, een idyllische term voor een wanhopig arm en zwaar bestaan. Enig soelaas bood hierbij de seizoenarbeid in Wallonie (steenbakkerijen, staalindustrie) en in Frankrijk (oogsten). Sommigen hadden ook nog enige spaarcenten over van hun werk op "de Plein" en in "de Carres". Deze openbare werken tussen 1900 en 1914 waren immers door het toenmalige ministerie van Oorlog gesubsidieerd.

Na de Eerste Wereldoorlog werd Leopoldsburg (het Kamp) en, in mindere mate Heppen, de "soldatenstad" bij uitstek. Beide gemeenten waren vooral een verzorgingscentrum op cultureel en economisch vlak. In 1930 werd een hoogtepunt bereikt: het Kamp van Beverlo kon immers 40.000 soldaten en 4000 paarden herbergen. Men telde toen 483 cafes en de meeste handelaars schilderden fier "Fournisseur de l'Armee" op hun gevels en winkelramen.

Parallel daaraan beÔnvloedde de mijn van Beringen de werkgelegenheid. Op 1 mei 1957 werkten er 186 Kampenaren en 171 Heppenaren in de mijn. Ook in de dienstensector en in het onderwijs steeg de werkgelegenheid gevoelig.

Tussen 1970 en 1975 keerde de lste Pantserinfanteriebrigade terug uit Duitsland en vestigde zich hoofdzakelijk in het Kamp van Beverlo. In Leopoldsburg en Heppen waren de soldaten thuis. De middenstand kreeg een belangrijke stimulans.

In 1991 waren er 25 bedrijven en ongeveer 15 financiŽle instellingen in volle bloei. Toch waren er nog 48 landbouwbedrijven aan de slag met samen 203 ha. Een kleine ambachtelijke zone ontstond aan beide zijden van het kanaal en tussen de Tunnelstraat en de spoorweg.

Rond 1995 kwam er een kentering. De laatste dienstplichtigen zwaaiden af op 28 februari van datzelfde jaar en ondanks de verwachtingen ten gevolge van o.m. de inplanting van het 1ste Regiment Jagers te Paard en de Pantsercavalerieschool / Regiment der Gidsen, werd de economische impact van het leger steeds kleiner in de sinds 1976 gefusioneerde gemeenten Leopoldsburg en Heppen. Talrijke beroepsmilitairen wonen overigens niet in de gemeente en gaan er 's avonds ook niet meer uit zoals weleer.

De forensische tijd brak weer aan. Hoewel het leger nog steeds voor vaste werkgelegenheid zorgde, werd het aantal burgerlijke werkkrachten fel verminderd. Deze tegenslag werd enigszins gecompenseerd door de vraag naar arbeidskrachten vanwege Philips (Lommel, Eindhoven), het industrieparkTessenderlo, Ford Genk, de omliggende recreatieparken en de grensarbeiders in Nederland. De sluiting van de mijn rond 1990 betekende een bijkomende tegenslag voor de werkgelegenheid.

Tegenwoordig kan men stellen dat in volgorde, het leger met ca. 3700 militairen op het grondgebied van de gemeente, de dienstensector (vooral banken en spaarkassen) en het onderwijs de belangrijkste werkgevers zijn in de gemeente. Ook het kleine industriepark aan de kanaalzone blijft zijn belang behouden. En de middenstand kan verder genieten van de afwezigheid van hypermarkten in de omgeving. Tenslotte is er ook de gemeente als werkgever met meer dan 200 ambtenaren. Al bij al een economisch schaakbord dat het voor de aandachtige waarnemer duidelijk maakt dat Kampenaars en Heppenaars doorzetters zijn. "Cedemus nunquam" (wij geven nooit op!) zou een gepaste leuze zijn voor onze bevolking.
De steeds dalende gemeentelijke schuldenlast onderstreept deze stelling en leidt ons hoopvol naar de 21ste eeuw.

 

Geschiedenis ] Gehuchten ] Bezienswaardigheden ] Politiek ] Onderwijs ] Infrastructuur ] [ Tewerkstelling ] Specialiteiten ] Heemkunde ]

Voor alle info over Leopoldsburg contacteer de dienst Toerisme Leopoldsburg of de Gemeente Leopoldsburg.
Voor alle vragen over de website contacteer de webmaster Witters Chris.